Dankwoord
We bedanken de operatoren van de spuischuiven voor het voorzien van de data van het aangepast spuibeheer.
Nederlandstalige samenvatting
De Europese paling (Anguilla anguilla L.) wordt al decennialang geconfronteerd met een sterke populatiedaling in Europa en behoort inmiddels tot de meest bedreigde vissoorten in Europa. Een van de belangrijkste knelpunten voor de populatie is de beperkte stroomopwaartse migratie van glasaal. In Vlaanderen vormen de Ijzermonding in Nieuwpoort, het sluizencomplex “Sas Slijkens” aan de monding van het Kanaal Gent-Oostende (KGO), en het uitwateringscomplex in Zeebrugge (monding van het Afleidingskanaal van de Leie, AKL, en het Leopoldkanaal, LK) cruciale intrekroutes voor glasaal. In eerder onderzoek werd glasaalmigratie geanalyseerd en werden mogelijke mitigerende maatregelen bij spuiconstructies in de Ganzepoot (Ijzermonding), Sas Slijkens (KGO), en het uitwateringscomplex Zeebrugge geëvalueerd. Het op een kier zetten van sluisdeuren tijdens het opkomend tij bleek een effectieve en kostenefficiënte methode om stroomopwaartse migratie te verbeteren, zonder het risico op verzilting van de polders door zeewaterinstroom. In 2015 werd er geen aangepast spuibeheer toegepast op deze locaties. Toch werden verhoogde conductiviteitswaarden gemeten, zoals gerapporteerd in het interne rapport “Opvolging van de zoutintrusie in de Ijzer, het Kanaal Gent-Oostende, het Leopoldkanaal en het Afleidingskanaal van de Leie: Nulmeting 2015” van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Deze nulmetingen toonden regelmatig verhoogde geleidbaarheid, vooral nabij uitwateringsconstructies en verder stroomopwaarts. De hogere waarden werden toegeschreven aan locatie-specifiek beheer of natuurlijke verzilting, met name tijdens droge periodes met lage afvoer. Vanaf 2016 werd aangepast spuibeheer toegepast. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd in opeenvolgende interne rapporten. In 2024 werd aangepast spuibeheer voortgezet van 1 maart tot 15 mei. De toepassing van aangepast spuibeheer varieert sterk per waterloop. Dit hangt samen met verschillen in streefpeilen (m TAW), wat invloed heeft op het beschikbare tijdsvenster voor spuibeheer. Bovendien zijn sommige uitwateringsconstructies, zoals de Ganzepoot aan de Ijzer, permanent bemand, waardoor het beheer ook buiten kantooruren kan plaatsvinden, in tegenstelling tot het AKL en LK.
Zoutintrusie als gevolg van aangepast spuibeheer lijkt zich opnieuw vooral voor te doen in het Ijzerbekken, waar pieken in geleidbaarheid meestal samenvallen met momenten van aangepast spuibeheer. Dit is grotendeels te verklaren door de intensieve toepassing van deze maatregel in de Ijzer, die resulteert in de succesvolle migratie van naar schatting 271.000 glasalen. Ter vergelijking: de inschattingen voor andere waterlopen tonen aanzienlijk lagere aantallen migrerende glasalen. In het Afleidingskanaal van de Leie (AKL) heeft het sporadisch toegepaste spuibeheer in 2024 geen waarneembaar effect op de geleidbaarheid. Het ingeschatte aantal glasalen dat hier kon migreren, bedraagt slechts 3% van het aantal dat de Ijzer opzwemt. In het Kanaal Gent-Oostende (KGO) en het Leopoldkanaal (LK) ligt dit percentage respectievelijk op 30% en 8%. Voor het KGO en LK is er sprake van een intensievere toepassing van aangepast spuibeheer dan in het AKL, wat wel leidt tot verhoogde geleidbaarheid nabij de spuischuiven van het KGO en LK op momenten van aangepast spuibeheer. Anders dan bij de Ijzer blijven deze effecten echter beperkt tot de directe omgeving en worden geen verhogingen dieper het binnenland in waargenomen.
English abstract
The European eel (Anguilla anguilla L.) has been experiencing a significant population decline in Europe for decades and is now among the most endangered fish species in the region. One of the main challenges for the population is the limited upstream migration of glass eels. In Flanders, the Yser Estuary in Nieuwpoort, the sluice complex “Sas Slijkens” at the mouth of the Ghent-Ostend Canal (KGO), and the drainage complex in Zeebrugge (at the mouth of the Diversion Canal of the Lys [AKL] and the Leopold Canal [LK]) serve as crucial entry routes for glass eels.
Previous research has analyzed glass eel migration and evaluated potential mitigation measures at sluice structures in the Ganzepoot (Yser Estuary), Sas Slijkens (KGO), and the Zeebrugge drainage complex. Keeping sluice gates slightly open during incoming tides proved to be an effective and cost-efficient method to enhance upstream migration without the risk of saline intrusion into the polders due to seawater inflow.
In 2015, no adjusted tidal barrage management was implemented at these locations. Nevertheless, elevated conductivity values were recorded, as reported in the internal report “Monitoring of Salt Intrusion in the Yser, the Ghent-Ostend Canal, the Leopold Canal, and the Diversion Canal of the Lys: Baseline Measurement 2015” by the Research Institute for Nature and Forest (INBO). These baseline measurements showed regularly increased conductivity, particularly near drainage structures and further upstream. The higher values were attributed to site-specific management practices or natural salinization, especially during dry periods with low discharge.
From 2016 onward, adjusted tidal barrage management was introduced, with results documented in successive internal reports. In 2024, adjusted tidal barrage management continued from March 1 to May 15. The implementation of this management strategy varies significantly between watercourses, depending on differences in target water levels (m TAW), which influence the available time window for sluice operations. Additionally, some drainage structures, such as the Ganzepoot at the Yser, are permanently staffed, allowing management outside office hours, unlike the AKL and LK.
Salt intrusion resulting from adjusted sluice management appears to occur primarily in the Yser basin, where peaks in conductivity generally coincide with periods of modified sluice operations. This can largely be explained by the intensive application of the measure in the Yser, which has resulted in the successful migration of an estimated 271,000 glass eels. In comparison, estimates for other watercourses show significantly lower numbers of migrating glass eels.
In the Diversion Canal of the Lys (AKL), the sporadic application of sluice management in 2024 had no observable effect on conductivity. The estimated number of glass eels that migrated here is only 3% of the number migrating upstream in the Yser. In the Ghent-Ostend Canal (KGO) and the Leopold Canal (LK), this percentage is 30% and 8%, respectively. In these two canals, sluice management was applied more intensively than in the AKL, leading to increased conductivity near the sluice gates of the KGO and LK during periods of adjusted sluice operations. However, unlike in the Yser, these effects remained confined to the immediate vicinity of the sluices, with no increases observed further inland.
Aanbevelingen voor beheer
Dit onderzoek richtte zich op de verdere optimalisatie van het aangepast spuibeheer, dat in eerder onderzoek werd geïdentificeerd als een kostenefficiënte en effectieve maatregel om de stroomopwaartse glasaalmigratie te bevorderen, zonder significante instroom van zeewater. Uit nulmetingen in 2015 (het referentiejaar waarin geen alternatief spuibeheer werd toegepast) bleek dat er regelmatig verhoogde geleidbaarheid werd gemeten op verschillende locaties, zowel nabij de uitwateringsconstructies als verder stroomopwaarts in de waterlopen en kanalen. Deze verhoogde waarden waren vaak toe te schrijven aan natuurlijke verzilting (vooral tijdens droge periodes met lage afvoer) of locatie-specifiek beheer (zie intern rapport INBO 2015). Op basis van historische gegevens (INBO-rapporten: 2012–2023) en de metingen uitgevoerd vóór, tijdens (1 maart – 15 mei) en na de toepassing van alternatief spuibeheer in 2024, kan worden geconcludeerd dat dit aangepaste beheer met het oog op glasaalmigratie weinig risico’s inhoudt op significante stijgingen van de geleidbaarheid in de waterlopen. Als aanvullende veiligheidsmaatregel werd met de waterbeheerder afgesproken om het alternatief spuibeheer in het AKL, LK, de Ijzer en het KGO onmiddellijk stop te zetten indien de vastgelegde limietwaarden worden overschreden.
1 Inleiding
De Europese paling (Anguilla anguilla L.) wordt al decennialang geconfronteerd met een sterke populatiedaling in Europa (Bonhommeau et al., 2008; Dekker, 1998; Dekker, 2000). Tegenwoordig wordt de soort beschouwd als een van de meest bedreigde vissen in Europa. Diverse factoren dragen bij aan deze negatieve trend, waaronder de chemische waterkwaliteit, fysische habitatcondities, migratiebarrières, predatie, oceanische veranderingen en klimaatsverandering (Friedland et al., 2007; Knights, 2003; White & Knights, 1997). Om de achteruitgang van de palingpopulaties tegen te gaan, stelde de Europese Unie in 2007 de Palingverordening (EC No. 1100/2007) vast. Deze verordening heeft als doel het behoud en herstel van de soort en vereist een beheerstrategie die een ontsnapping van 40% van de schieraalbiomassa garandeert, vergeleken met een onbelemmerde referentietoestand. Dankzij de vele laaglandrivieren, kanalen, vijvers en kreken wordt Vlaanderen beschouwd als een belangrijke regio voor de opgroei van paling en de rekrutering van zilverpaling. De chemische waterkwaliteit van Vlaamse wateren is de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd door intensieve afvalwaterzuivering en de invoering van bemestingsnormen. Bovendien is paling een relatief tolerante soort, waardoor veel Vlaamse waterlichamen geschikt blijven als habitat. Hierdoor is de soort nog steeds wijdverspreid in Vlaanderen. De focus van rivierbeheerders ligt daarom op het verminderen van predatie en het aanpakken van migratiebarrières, die cruciale knelpunten vormen voor het behoud van de palingpopulaties (Briand et al., 2005; Bult & Dekker, 2007; Feunteun et al., 1998; Laffaille et al., 2007; White & Knights, 1997). Eén van de grootste uitdagingen betreft de stroomopwaartse migratie van juveniele paling, ook wel glasaal genoemd. Tijdens hun trans-Atlantische migratie vanuit de Sargassozee (Fig. @ref(fig:levenscyclus)) ondergaan leptocephaluslarven een metamorfose tot glasaal. Veel glasaal bereikt echter de Europese zoetwaterhabitats niet door migratiebarrières zoals dammen, stuwen en sluizen. Deze belemmerde migratie vermindert niet alleen de opwaartse instroom van glasaal, maar leidt ook tot een daling van de zilverpalinguittrek. Dit kan een vicieuze cirkel creëren die de achteruitgang van de palingpopulaties verder versterkt.
(#fig:levenscyclus)De levenscyclus en de belangrijkste ontwikkelingsstadia van paling.
De meeste Europese estuaria kennen een hoge connectiviteit met een geleidelijke overgang tussen zout en zoet water. Deze overgang stelt glasaal in staat om stroomopwaarts te migreren naar zoetwaterhabitats die geschikt zijn voor hun groei en ontwikkeling. In sommige rivier- en kanaalmondingen is deze natuurlijke overgang echter verstoord door afsluitingen die zijn aangebracht om overstromingen te voorkomen. Dit is vooral het geval in laaggelegen regio’s zoals Vlaanderen en Nederland. Deze ingrepen hebben geleid tot scherpe overgangen tussen zoet en zout water en het verdwijnen van brakke getijdenzones. Hoewel zulke abrupte overgangen doorgaans geen osmoregulatorische problemen veroorzaken voor glasaal (Wilson et al., 2004, 2007), kunnen ze de migratie vertragen of zelfs beperken. De bijkomende energieverliezen kunnen gedragsveranderingen veroorzaken die de stroomopwaartse migratie verder belemmeren of stoppen (Du Colombier et al., 2007; Edeline et al., 2005, 2006).
In Vlaanderen proberen waterbeheerders de lokale palingpopulaties te ondersteunen door het uitzetten van glasaal. Onderzoek heeft echter aangetoond dat deze maatregel het risico op verspreiding van schadelijke parasieten vergroot (Audenaert et al., 2003). Daarom is een geïntegreerde aanpak nodig die de natuurlijke stroomopwaartse migratie van glasalen bevordert.
In een eerder onderzoek werden de abiotische factoren geanalyseerd die de migratie van glasaal beïnvloeden bij vijf spuicomplexen in het Ijzerestuarium in Nieuwpoort (Mouton et al., 2009). Daarbij werd onderzocht hoe de migratie naar de Ijzer op een efficiënte manier kon worden gestimuleerd. Het onderzoek toonde aan dat een beperkte opening van de spui tijdens het opkomend tij een kosteneffectieve en efficiënte maatregel is om de stroomopwaartse migratie van glasaal te verbeteren, zonder een significante instroom van zout water te veroorzaken.
Vervolgonderzoek richtte zich op de toepassing van een vergelijkbaar spuibeheer bij de uitwateringskunstwerken van het Kanaal Gent-Oostende (KGO) in Oostende (Buysse et al., 2012a) en bij het Afleidingskanaal van de Leie (AKL) en het Leopoldkanaal (LK) in Zeebrugge (Buysse et al., 2015a). Tevens werd onderzocht of dit aangepaste spuibeheer leidde tot een stijging van het zoutgehalte in de Ijzer (Mouton et al., 2011) en het KGO (Buysse et al., 2012b). De resultaten gaven aan dat het alternatieve spuibeheer geen significante verzilting veroorzaakt, mits het wordt toegepast buiten periodes van extreme droogte. Op basis van deze bevindingen werd een protocol opgesteld met drempeldebietswaarden waarbinnen het alternatieve spuibeheer veilig kan worden uitgevoerd.
Dit rapport analyseert en rapporteert de impact van het aangepaste spuibeheer in 2025 op vijf waterlopen: de Ijzer, het KGO, het AKL, het LK en de NE. De bevindingen bieden belangrijke inzichten voor rivierbeheerders over het efficiënt en glasaalvriendelijk beheren van estuariene migratiebarrières.
2 Materiaal en methoden
2.1 Studiegebied
2.1.1 De Ganzepoot
Glasaalmigratie werd bestudeerd aan de monding van de 76 km lange Ijzer, een bevaarbare rivier in zuidwest Vlaanderen (Fig. @ref(fig:ganzepoot)) met een debiet dat in 2025 varieerde tussen -10.79 m³/s en 50.03 m³/s (gemiddeld 5.54 m³/s). Het afvoerdebiet (hoge resolutie / waterinfo.be) van de Ijzer is beschikbaar van meetstation Keiem (ca. 4.5 km stroomopwaarts van de spuisluizen). Het Ijzerbekken heeft een oppervlakte van 1101 km² en bevindt zich voor 33 % in Frankrijk. Aan de Ijzermonding komen zes verschillende waterlopen samen in een kunstmatig bekken, de Ganzepoot, op ca. 4 km van de zee (Fig. @ref(fig:ganzepoot)). Elke waterloop wordt afgesloten door drie tot acht spuistuwen om de instroom van zout water te vermijden bij hoogwater. Op die manier wordt de verzilting van de achterliggende landbouwgronden tegengegaan, het hinterland beschermd tegen overstromingen en zijn sommige waterlopen bevaarbaar. Bij laag tij worden de spuien geopend om overtollig polderwater af te voeren en deze worden opnieuw gesloten wanneer het zeewaterniveau het peil van de waterloop stroomopwaarts van het spuicomplex benadert. Het volume van de zoetwateruitstroom hangt af van de buffercapaciteit nodig om overstromingen te vermijden op basis van de voorspelde watertoevoer verder stroomopwaarts van het spuicomplex. Verschillende zoetwatervolumes worden dus gespuid ter hoogte van de zes riviermondingen in functie van de (voorspelde) neerslag.
(#fig:ganzepoot)Ligging van de spuiconstructies aan de Ganzepoot in de Ijzermonding
2.1.2 Sas Slijkens
Het Kanaal Gent-Brugge wordt samen met het Kanaal Brugge-Oostende aangeduid als KGO. In Brugge staat het Kanaal Brugge-Oostende in verbinding met het Kanaal Gent-Brugge, de Damse Vaart en het Boudewijnkanaal van Brugge naar Zeebrugge. Tussen Oudenburg en Oostende sluit het Kanaal Brugge-Oostende aan met het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort. Het KGO bevindt zich deels in het bekken van de Brugse Polders en deels in het bekken van de Gentse kanalen. Stroomopwaarts van Brugge, ter hoogte van Oostkamp, mondt onder andere de Rivierbeek uit in het KGO. ’Sas Slijkens’ is de benaming voor de sluizen of sassen die het Kanaal Brugge-Oostende met de voorhaven van Oostende en de Noordzee verbinden (Fig. @ref(fig:sas)). Het Sas Slijkens bezit twee spuisluizen met dubbele schuiven van ongeveer 4 m breed. Er zijn tevens vier spuikokers en een gronddam aanwezig. Debietmetingen in het KGO tussen Brugge en Oostende werden tot in 2020 gemeten en geregistreerd in Varsenare (Bron: HIC, Hydrologisch Informatie Centrum). Vanaf 2021 wordt het debiet gemeten in Oostkamp. Het gemiddelde debiet in Oostkamp in 2025 was 8.56 m³/s, terwijl het debiet varieerde tussen -9.42 m³/s en 38.57 m³/s. Op het kanaal wordt in functie van de binnenscheepvaart getracht een constant peil na te streven van 3.94 mTAW.
(#fig:sas)Situering van het KGO, de Ringvaart in Brugge, de Damse Vaart (DV), het Boudewijnkanaal (BZ) en het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort (PN). De locatie van de spuiconstructie ‘Sas Slijkens’ is rood omcirkeld (rechts onderaan).
2.1.3 Uitwatering Zeebrugge
Het Leopoldkanaal (LK) en het Afleidingskanaal van de Leie (AKL, ook Schipdonkkanaal genoemd) monden uit in een gemeenschappelijke constructie in de voorhaven van Zeebrugge (Fig. @ref(fig:AKLLK)). Het LK loost in de Brugse voorhaven via een ondergrondse koker die afgesloten wordt door drie schuiven. Het gemiddelde debiet van het LK tijdens 2025 was 0.82 m³/s, met een minimum van -4.66 m³/s en een maximum van 22.98 m³/s. Debietreeksen van het LK worden gemeten en geregistreerd in Damme (Bron: HIC, Hydrologisch Informatie Centrum). Het AKL loost in de Brugse voorhaven via twee ondergrondse kokers die elk afgesloten worden door drie schuiven. De beschikbare debietsgegevens van het AKL (minimumwaarde -1.16 m³/s, maximumwaarde 34.74 m³/s en gemiddelde waarde 2.08 m³/s) zijn afkomstig van Zomergem (HIC), een flink eind verder stroomopwaarts ten opzichte van de conductiviteitsmeetpunten van Zeebrugge, Ramskapelle en Moerkerke waardoor de door ons gemeten conductiviteit moeilijk in relatie te brengen is met deze debietwaarden.
Steendam et al. (2019, intern rapport) stelden in het rapport ‘Opvolging van de palingstand in het Leopoldkanaal als evaluatie van het aangepast spuibeheerbeheer in functie van een verbeterde glasaalmigratie (2018-2019)’ dat de kansen om de palingdensiteit in het LK significanter op te krikken sterk onderbenut bleven omdat het aangepast spuibeheerbeheer in Zeebrugge (LK en AKL) veel beperkter werd toegepast in vergelijking met de andere waterlopen onder beheer van DVW (Kanaal Gent-Oostende, Ijzer). Daarom werd in 2021 door DVW een poging gedaan om het aangepast spuibeheer in het LK op te krikken door de schuiven ook met afgaand tij open te laten staan. Via deze beheermaatregel kon er twee maal per 24 u aangepast gespuid worden. Er werd voor het eerst glasaal binnen gelaten in het LK op 3 maart. De schuiven stonden vanaf 3 maart tot en met 9 maart doorlopend open. Dit veroorzaakte hoge zoutwaarden waardoor het alternatief spuibeheer vanaf 10 maart tot en met 18 maart tijdelijk stilgelegd werd. Vanaf 19 maart werden de schuiven enkel nog overdag geopend – net zoals de voorbijgaande jaren. In 2022, 2023, 2024 en 2025 werd er terug gespuid volgens de oude manier met enkel de schotten open overdag.
(#fig:AKLLK)Situering van het Afleidingskanaal van de Leie (AKL) en het Leopoldkanaal (LK). Rood omcirkeld is de spuiconstructie van deze kanalen in Zeebrugge.
2.1.4 Noordede
De Blankenbergse Vaart en de Noordede zijn verbonden met elkaar en hebben een minimaal bodemverhang, waardoor stroming in beide richtingen mogelijk is. De Blankenbergse Vaart voert af naar de jachthaven van Blankenberge, terwijl de Noordede uitmondt in de achterhaven van Oostende. Beide waterlopen zorgen voor een gravitaire afwatering naar de Noordzee. Via de Noordede en het Maertensas wordt het water uit de polders afgevoerd naar de achterhaven van Oostende en vervolgens naar zee.
2.2 Dataverzameling
2.2.1 Conductiviteitsmetingen
Conductiviteitsmetingen werden uitgevoerd met CTD Divers (SWS Technology) en/of ‘HOBO U24 Fresh Water Conductivity Data Logger’. Aangezien zout water een hogere densiteit heeft, en dus zwaarder is dan zoet water, werden de divers in een metalen kooi een tiental centimeter boven de bodem bevestigd (Figuur 5). CTD-divers werden geplaatst op deze locaties: (link en Fig. @ref(fig:mapctdall)). Op basis van debietsgegevens (afkomstig van het Hydrologisch Informatie Centrum) kon de relatie tussen afvoer en conductiviteit opgevolgd worden.

(#fig:CTD)Monitoringsconstructie voor het opvolgen van de conductiviteit (links) met behulp van HOBO U24 Fresh Water Conductivity Data Logger.
(#fig:mapctdall)Locaties van de ctd-divers
(#fig:mapctdijzer)Locaties van de ctd-divers
(#fig:mapctdkgo)Locaties van de ctd-divers
(#fig:mapctdakllk)Locaties van de ctd-divers
(#fig:mapctdne)Locaties van de ctd-divers
2.2.1.1 Ijzer
Omdat de kans op verzilting het grootst blijkt op de Ijzer (Intern Rapport INBO, 2019) werd besloten dat vanaf maart 2020 het netwerk van divers uitgebreid werd zodat de potentieel landinwaarts opschuivende zoutlens beter gemonitord kon worden en het alternatief spuibeheer tijdig kon worden stopgezet. Het eerste conductiviteitsmeetpunt bevond zich direct stroomopwaarts van de spuien, ter hoogte van de Ijzermonde steiger. Het tweede meetpunt lag stroomopwaarts van het spaarbekken, ter hoogte van de Uniebrug. Het derde meetpunt lag ter hoogte van de Schoorbakkebrug, het vierde aan de staketsels van de vroegere Tervatebrug en het vijfde net stroomafwaarts van Diksmuide (Fig. @ref(fig:mapctdijzer)). Deze vijf locaties bevonden zich respectievelijk 0.2 km, 3.3 km, 7.3 km, 10.6 km en 17 km stroomopwaarts van de spuiconstructies in de Ijzer.
2.2.1.2 Kanaal Gent-Oostende
Het eerste conductiviteitsmeetpunt in het KGO bevond zich net stroomopwaarts van het Sas Slijkens, ter hoogte van een oude steiger langs de Oudenburgsesteenweg in Oostende (Fig. @ref(fig:mapctdkgo)). Het tweede meetpunt lag stroomopwaarts van het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort, namelijk ter hoogte van het ‘Paddegat’ en het meest stroomopwaartse meetpunt bevond zich aan staketsels net stroomopwaarts van de brug over het kanaal in Nieuwege (bij Brugge). De drie meetpunten bevonden zich respectievelijk 0.9 km, 7.0 km en 13.3 km stroomopwaarts van Sas Slijkens.
2.2.1.3 Leopoldkanaal en Afleidingskanaal van de Leie
De conductiviteitsmeetpunten liggen parallel naast elkaar in het Leopoldkanaal en het Afleidingskanaal van de Leie (Fig. @ref(fig:mapctdakllk)). Het eerste meetpunt bevond zich net stroomopwaarts van het uitwateringscomplex van Zeebrugge ter hoogte van de spoorwegbrug. Het tweede meetpunt lag ter hoogte van de N376-brug in Ramskapelle en het derde meetpunt was gelegen aan de Middelburgsesteenweg in Moerkerke. Deze drie meetpunten bevonden zich respectievelijk 1.5, 5.5 en 13.0 km stroomopwaarts het uitwateringscomplex van Zeebrugge. De grenswaarden van 2.80 mS/cm en 0.87 mS/cm werden, in samenspraak met DVW, vastgelegd op basis van een data-analyse van de voorafgaande nulmeting waar de geleidbaarheid in beide kanalen permanent werd gemonitord in Ramskapelle tussen 16 mei 2013 en 3 februari 2014. Tijdens deze nulmeting werd een gemiddelde geleidbaarheid gemeten van 1.78 mS/cm in het LK en 0.76 mS/cm in het AKL. Voor de vastlegging van de grenswaarden werd er een veiligheidsmarge van 10 % ingebouwd waardoor de grenswaarden op respectievelijk 0.87 mS/cm voor AKL en 2.80 mS/cm voor het LK bepaald werden (m.a.w. tijdens de nulmetingen werd in 10 % van de metingen een geleidbaarheid hoger dan 2.80 µS/cm en 0.87 µS/cm opgemeten respectievelijk in het LK en het AKL).
2.2.2 Overzicht aangepast spuibeheer
In principe wordt er aangepast gespuid in functie van glasaalmigratie tussen 1 maart en 15 mei 2025 op de Ijzer, het Kanaal Gent-Oostende, het Leopoldkanaal, het Afleidingskanaal van de Leie en de Noordede. In praktijk kan en wordt er veel minder aangepast gespuid.
Er is een groot verschil in toepassing van het alternatief spuibeheer per waterloop. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat de verschillende waterlopen een verschillend streefpeil (mTAW) hebben waardoor ook het tijdsvenster voor het toepassen van alternatief spuibeheer verschillend is. Een andere reden is dat bepaalde belangrijke uitwateringsconstructies zoals aan de Ijzer (Ganzepoot) permanent bemand zijn door binnenvaartbegeleiders die het beheer ook buiten de normale kantooruren kunnen toepassen (inclusief ’s nachts), dit in tegenstelling tot de uitwateringsconstructies van het AKL en het LK. In 2021 werd geprobeerd om het aangepast spuibeheer in het LK op te krikken door de schuiven ook met afgaand tij open te laten staan. Via deze beheermaatregel kon er twee maal per 24 u aangepast gespuid worden. Dit veroorzaakte al snel hogere zoutwaarden waardoor het alternatief beheer tijdelijk moest stilgelegd worden. Naderhand werd het aangepast spuibeheer hervat volgens het oude protocol. Ook in 2025 werd het oude protocol gevolgd.
2.2.3 Inschatting van het effect op de intrek van glasaal
Op basis van de tijdregistratie van het aangepast spuibeheer (AS) van 2025 in combinatie met eerder verkregen inzichten in het aantal glasaal dat gebruik maakt van het AS om stroomopwaarts te migreren, kan een inschatting gemaakt worden van het aantal glasalen dat in 2025 stroomopwaarts heeft kunnen trekken door de spuiopeningen. Deze berekening werd gemaakt in het kader van het visserijovereenkomstrapport van 2025 in opdracht van ANB en alle beschrijvingen van de methodologie en resultaten zijn overgenomen van dit rapport (Vandamme et al., 2024). Voor het inschatten van het aantal glasalen dat per getijdencyclus stroomopwaarts migreert via de spuisluizen bij AS wordt gebruik gemaakt van volgende studies: De Ijzer thv Ganzepoot (Mouton et al., 2010; Mouton et al., 2013), het Leopoldkanaal (LK) thv de voorhaven van Zeebrugge(Buysse et al., 2015b), het Afleidingskanaal van de Leie (AKL) thv de voorhaven van Zeebrugge (Buysse et al., 2015b), Het kanaal Gent-Oostende (KGO) thv Sas Slijkens (Buysse et al., 2012a) en de Noordede (NE) thv Maertensas (Vandamme et al., 2020). Voor het perskanaal Veurne-Ambacht (VA) is jaarlijks het effectief aantal ingetrokken glasalen beschikbaar via de gegevens van de twee glasaal goten die opgesteld staan bij het pompgemaal VA (Vandamme et al., 2020).
De berekening van het totaal aantal glasalen dat in een bepaald jaar door de spuiopeningen kan passeren tijdens de periode dat AS toegepast wordt, gebeurt door het gemiddeld aantal glasalen dat passeert per AS event te vermenigvuldigen met het aantal AS events per migratieseizoen (met uitzondering van VA waar het totaal aantal optrekkende glasalen in de glasaalgoten in het betreffende jaar wordt weergegeven).
De berekening van het gemiddeld aantal intrekkende glasalen per AS event gebeurde voor KGO, LK, AKL en NE door het gemiddeld aantal intrekkende dieren te berekenen over de verschillende bemonsteringsmomenten van de spuisluis tijdens het glasaalmigratieseizoen van 2012 (KGO), 2014 (LK & AKL), en 2019 (NE). Voor berekening van het aantal intrekkende glasalen per AS event aan de Ijzer werd gebruik gemaakt van het gemiddelde van de bemonsteringsdata uit twee onderzoeksjaren (2010 en 2013), waarbij alle data gebruikt werden waarbij één of twee spuien 20 cm geopend werden.
Door de beperkte data en grote onzekerheden mbt het aantal glasaal dat zich aanmeldt thv de gesloten spuien (zowel wat betreft het verschil tussen de jaren alsook de schommelingen binnen 1 migratieseizoen), laten de resultaten van de studies van de Ijzer, LK, AKL, KGO en NE niet toe om een meer geavanceerde inschatting te maken op basis van variabelen zoals:
Het aantal geopende binnenschuiven
Het aantal geopende buitenschuiven
De opening van de schuiven
De duur van het AS event
Het debiet
Het waterpeil
De watertemperatuur
De meest recente studie van de Ijzer (Mouton et al., 2013) was relatief uitgebreid en beschouwde meerdere variabelen maar concludeerde ook hier dat de hoeveelheid glasalen die zich aanmeldt te variabel is om de hoeveelheid glasalen die passeert eenduidig in te schatten. Het belang van het aantal dieren voor de schuiven kwam ook tot uiting bij de analyse van het effect dat het aantal open schuiven heeft: Op het eerste zicht bleek er geen effect te zijn van het aantal open schuiven, maar wanneer een onderscheid werd gemaakt tussen AS events met een grote versus kleine densiteit aan glasaal, bleek dat meer schuiven een significant effect had op het aantal glasalen dat passeert. Een meer informatief model zou daarom ofwel het aandeel glasalen dat succesvol passeert als respons moeten gebruiken of het aantal dieren voor de sluis meenemen als interactiefactor. De benodigde data is daarvoor echter niet voorhanden, noch is er een model beschikbaar dat inschat wat het aantal dieren zou zijn dat zich aanmeldt voor de schuiven op basis van beschikbare omgevingsdata zoals windrichting, neerslag en debiet. Voor het gemiddeld aantal glasaal per event werd gebruik gemaakt van het gemiddelde van de bemonsteringen in 2010 (1 schuif open op 10 cm, lineair geëxtrapoleerd naar 2 schuiven open op 20 cm) (Mouton et al., 2010) en 2013 (gemiddeld aantal bij 2 schuiven open op 20 cm) (Mouton et al., 2013).
Door bovengemelde beperkingen blijft de huidige inschatting bijzonder ruw en dient deze met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden.
3 Resultaten
3.1 Aangepast spuibeheer ter hoogte van de zout-zoetovergangen aan de Belgische kust en ingeschat effect op de intrek van glasaal
De resultaten van de monitoring van het aangepast spuibeheer tonen aan dat dit beheer een wisselende, maar continue, impact had op de stroomopwaartse migratie van glasaal. In 2022, konden naar schatting 323.199 glasalen passeren, maar belangrijk om te noteren is dat de Noordede toen niet werd beschouwd. In 2023 hebben de inschattingen aangegeven dat 550.392 glasalen passeerden. Dit aantal steeg in 2024, tot 671.014 glasalen. De inschattingen voor 2025 geven aan dat 315.794 glasalen passeerden.
| AKL | Ijzer | KGO | LK | NE | VA | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| start AS | 12-03-2025 | 28-02-2025 | 28-02-2025 | 01-03-2025 | 07-03-2025 | 28-02-2025 |
| stop AS | 28-03-2025 | 21-03-2025 | 30-04-2025 | 28-03-2025 | 02-05-2025 | 21-03-2025 |
| periode (dagen) | 16 | 21 | 61 | 27 | 56 | 21 |
| # dagen effectief AS | 8 | 22 | 47 | 17 | 41 | 22 |
| # events AS tijdens periode | 8 | 40 | 80 | 17 | 116 | 38 |
| # events AS per dag | 1.00 | 1.82 | 1.70 | 1.00 | 2.83 | 1.73 |
| mediaan duur event AS (min) | 315 | 270 | 180 | 300 | 48 | 242 |
| mediaan duur AS per dag (min) | 315 | 491 | 306 | 300 | 136 | 419 |
| totale duur AS periode (min) | 2360 | 13040 | 13412 | 4880 | 12488 | 9482 |
| verwachte # glasaal per AS event | 1350 | 2221 | 964 | 1350 | 612 | NA |
| verwachte # glasaal periode | 10802 | 88840 | 77136 | 22954 | 70998 | 45064* |
Doorheen de tijd observeren we een sterke variatie tussen en binnen waterlopen, zowel op het vlak van totale duur aangepast spuibeheer (Fig. @ref(fig:duuras)) als het aantal events aangepast spuibeheer (Fig. @ref(fig:eventas)).
In het AKL observeerden we een sterke piek in 2021 in de totale duur, maar niet in aantal events. Dit is het gevolg van het langdurig aansluitend openstaan van de schuiven in 2021 (dus niet enkel op de momenten relevant voor aangepast spuibeheer). Aangepast spuibeheer blijft het minst toegepast in het AKL en varieert weinig doorheen de tijd. Een gelijkaardig patroon observeerden we in het LK waarbij de piek van 2021 in totale duur eveneens het gevolg was van een aantal momenten dat de schuiven open bleven. Aangepast spuibeheer wordt minstens dubbel zo intensief uitgevoerd in het LK versus het AKL, maar in het LK observeren we wel een lichte daling van zowel duur en events terwijl we in het AKL eerder een lichte stijging observeren van zowel duur en events. In het KGO zien we een stijging vanaf 2021 in zowel aantal events als totale duur van het aangepast spuibeheer. In 2024 ligt zowel het aantal events als de duur aanzienlijk hoger dan in het LK. Met uitzondering van een dip in 2022 zien we voor de Ijzer een stijging in zowel de totale duur als het aantal events aangepast spuibeheer. In 2024 is het aantal events voor de Ijzer en VA gelijk, maar de totale duur is wel groter doordat events langer duren.
In 2025 observeren we een daling in totale duur aangepast spuibeheer voor alle sites, maar t.h.v. de Ijzer en VA is deze daling bijzonder uitgesproken. Het aantal events is in het KGO, AKL en LK nagenoeg constant gebleven, maar voor de Ijzer, VA en NE was er een duidelijke sterke daling. Dit sterk gereduceerd aangepast spuibeheer is het gevolg van het vroegtijdig stopzetten in de Ijzer (21/3), VA (21/3), AKL (28/3), LK (28/3) en NE (2/5) omwille van de droogte.
(#fig:duuras)Totale duur aangepast spuibeheer (uren) per jaar en waterlichaam (het afleidingskanaal van de Leie (AKL), Ijzer, kanaal Gent-Oostende (KGO), Leopoldkanaal (LK), Noordede (NE) en Veurne-Ambacht (VA))
(#fig:eventas)Aantal events aangepast spuibeheer per jaar en waterlichaam (het afleidingskanaal van de Leie (AKL), Ijzer, kanaal Gent-Oostende (KGO), Leopoldkanaal (LK), Noordede (NE) en Veurne-Ambacht (VA)).
3.2 Opvolging van saliniteit, temperatuur, afvoer en neerslag in relatie tot het aangepast spuibeheer
3.2.1 Uitwateringscomplex Zeebrugge
3.2.1.1 Afleidingskanaal van de Leie
Het aangepast spuibeheer (AS) in het Afleidingskanaal van de Leie (AKL) is gedurende de gehele periode het minst intensief toegepast gebleven, met weinig variatie in de totale duur door de jaren heen.
In 2022, 2023 en 2024 werd geen wezenlijke invloed hebben op de geleidbaarheid ter hoogte van Ramskapelle en Moerkerke genoteerd gedurende de periode van aangepast spuibeheer. Korte pieken in conductiviteit die de limietwaarde van 0.87 mS/cm overschreden, kwamen sporadisch voor in Ramskapelle en in mindere mate ook in Moerkerke, maar leken niet te niet te volgen op de momenten van AS. In de zomer en het najaar werden hogere waarden voor de geleidbaarheid geobserveerd waarbij de limietwaarde meerdere keren wordt overschreden. Linken met debiet of neerslag leken er niet te zijn.
In 2022 stonden de sluizen slechts 19 uur open over 3 dagen, een forse daling ten opzichte van het jaar voordien, voornamelijk als gevolg van werkzaamheden in de spuikokers. De duur van het AS nam in 2023 licht toe tot 38 uur over 6 dagen, maar bleef nog steeds veel minder dan de 29 dagen in 2021. In 2024 werden vergelijkbare aantallen genoteerd, met een totale duur van 39 uur over 7 dagen.
De situatie veranderde kritiek in 2025, ondanks een met de voorgaande jaren vergelijkbare AS-duur van 39 uur over 8 dagen. In tegenstelling tot 2024 leek het aangepast spuibeheer nu wél tot een verhoging van de geleidbaarheid t.h.v. Ramskapelle te leiden (Fig. @ref(fig:plotctdakl)). Eind maart was er een sterke stijging die de limietwaarde (0.87 mS/cm) sterk overschreed, en deze leek te volgen op een periode van aangepast spuibeheer. Dit effect was waarschijnlijk het gevolg van het tekort aan bovenafvoer, waardoor het ingedrongen zout niet verwijderd kon worden (Fig. (ref?)(fig:plotaklr)).
Dit kritieke resultaat leidde ertoe dat het aangepast spuibeheer op 28 maart 2025 werd stilgelegd en niet meer opgestart door het uitblijven van bovenafvoer.
(#fig:plotctdakl)Verloop van de specifieke geleidbaarheid (mS/cm) in het afleidingskanaal van de Leie (AKL). De daggemiddelden worden weergegeven als zwarte punten op het midden van de dag. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotaklr)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het afleidingskanaal van de Leie (AKL) ter hoogte van Ramskapelle (5.5 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Zomergem en neerslag (mm) ter hoogte van Dudzele in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotaklm)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het afleidingskanaal van de Leie (AKL) ter hoogte van Moerkerke (13 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Zomergem en neerslag (mm) ter hoogte van Dudzele in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
3.2.1.2 Leopoldkanaal
Het aangepast spuibeheer (AS) in het Leopoldkanaal (LK) wordt minstens dubbel zo intensief uitgevoerd als in het Afleidingskanaal van de Leie (AKL). Desondanks is er in het LK doorheen de jaren een lichte daling van zowel de totale duur als het aantal events te zien, wat in contrast staat met de lichte stijging in het AKL.
Gedurende de gehele periode 2022 tot en met 2025 resulteert de toepassing van het aangepaste spuibeheer nabij de spuischuiven ter hoogte van Zeebrugge logischerwijze in een over het algemeen sterk verhoogd zoutgehalte (Fig. @ref(fig:plotctdlk) en @ref(fig:plotlkz)). De mate waarin dit effect verder landinwaarts voelbaar was, varieerde sterk per jaar.
In 2022 werd gespuid volgens het ‘oude’ systeem, met enkel de schotten overdag open, resulterend in een totale duur van 136 uur over 23 dagen. De glasaal werd dat jaar voor het eerst binnengelaten op 2 maart. In dit jaar was het effect van de verhoogde geleidbaarheid duidelijk te zien tot in Ramskapelle, met een snelle daling naar de zoetwatergrens na stopzetting van het AS. Bovendien zorgde de droge zomer in 2022, in tegenstelling tot het natte jaar 2021, opnieuw voor een tweede verhoging van de conductiviteit in de zomer en het najaar.
In 2023 bleef de totale duur met 132 uur vergelijkbaar, maar de effecten landinwaarts verschilden: in Ramskapelle bleef de stijging van het zoutgehalte beperkt en leek de geleidbaarheid weinig tot niet beïnvloed door het AS. Dit was onverwacht, aangezien in 2021 en 2022 de effecten wel voelbaar waren tot in Ramskapelle. De droge zomer in 2023 veroorzaakte, net als in 2022, een tweede verhoging in de zomer en het najaar. De glasaal werd in 2023 voor het eerst binnengelaten op 1 maart.
De daling van de AS-inspanning zette zich in 2024 verder door, met een totale duur van 102 uur. Hierdoor bleef de geleidbaarheid in Ramskapelle en Moerkerke ook in 2024 laag en onafhankelijk van het aangepast spuibeheer. Opvallend was dat in 2024 geen verhoging van de geleidbaarheid in de zomer en het najaar werd geobserveerd, ondanks vergelijkbare debieten en lagere neerslag dan in 2023. Dit werd toegeschreven aan een mogelijk lagere hoeveelheid geaccumuleerd zout in het grondwater. De glasaal werd in 2024 op 2 maart binnengelaten.
De AS-intensiteit bereikte in 2025 met een totale duur van slechts 81 uur over 17 dagen een dieptepunt in de periode.
In schril contrast met de bevindingen van 2023 en 2024, leek de geleidbaarheid in 2025 nu relatief sterk beïnvloed te zijn door het aangepast spuibeheer ter hoogte van Ramskapelle (Fig. @ref(fig:plotctdlk) en @ref(fig:plotlkr)). Dit patroon was gelijkaardig aan dat in Zeebrugge en de situatie in Ramskapelle in 2022, met een sterke stijging van het zoutgehalte bij de start en een snelle daling bij stopzetting van het AS (Fig. @ref(fig:plotctdlk) en @ref(fig:plotlkr)). De link tussen AS en geleidbaarheid was in 2025 zeer uitgesproken, maar de variabiliteit was beperkt, en de geleidbaarheid viel snel terug na een moment van AS.
Net als in het AKL en door het uitblijven van voldoende bovenafvoer, werd om deze reden het aangepast spuibeheer in het Leopoldkanaal op 28 maart 2025 stilgelegd en niet meer opgestart. Dit heeft direct bijgedragen aan de lagere inschatting van het aantal glasalen dat voordeel ondervond in 2025.
(#fig:plotctdlk)Verloop van de specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm) in het Leopoldkanaal (LK). De daggemiddelden worden weergegeven als zwarte punten op het midden van de dag. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotlkz)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het Leopoldkanaal (LK) ter hoogte van Zeebrugge (1.5 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Damme en neerslag (mm) ter hoogte van Dudzele in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotlkr)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het Leopoldkanaal (LK) ter hoogte van Ramskapelle (5.5 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Damme en neerslag (mm) ter hoogte van Dudzele in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotlkm)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het Leopoldkanaal (LK) ter hoogte van Moerkerke (13 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Damme en neerslag (mm) ter hoogte van Dudzele in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
3.2.2 Kanaal Gent-Oostende
Het aangepast spuibeheer (AS) in het Kanaal Gent-Oostende (KGO) laat doorheen de jaren een stijgende trend zien in zowel het aantal events als de totale duur van het beheer sinds 2021.
De inspanning voor het AS was in 2022 en 2024 nagenoeg gelijk, met respectievelijk 245 uur en 247 uur. Dit was bijna het dubbele van de duur in 2023, toen slechts 128 uur AS werd uitgevoerd.
De jaren 2022 en 2023 kenmerkten zich door een gebrek aan een sluitend verband tussen het AS en de geleidbaarheid landinwaarts. In beide jaren traden pieken in zoutgehalte ter hoogte van Sas Slijkens namelijk al op vóór de aanvang van het aangepaste spuibeheer. Bovendien werden deze pieken tot relatief diep in het binnenland (zoals Plassendale en Brugge) waargenomen. Dit suggereerde dat de waargenomen hoge zoutconcentraties niet veroorzaakt werden door het aangepaste spuibeheer.
De situatie wijzigde licht in 2024. De pieken in geleidbaarheid deden zich nu minder voor vóór de aanvang van het AS. In 2024 leken pieken tijdens het AS wel overeen te komen met momenten van intensiever beheer nabij Sas Slijkens. Desondanks bleef het een consistente bevinding dat de effecten landinwaarts uitbleven (Plassendale, Brugge). Dit patroon suggereerde voor 2024 dat er wél een lokaal verband was tussen de waargenomen geleidbaarheid en het AS t.h.v. Sas Slijkens, wat afweek van de resultaten in 2022 en 2023.
In 2025 duurde het aangepast spuibeheer 224 uur. Dit lag tussen de lage duur van 2023 en de hogere duur van 2022/2024.
Net als in 2024 was de waarneming in 2025 dat pieken in geleidbaarheid overeenkwamen met momenten van intensiever AS t.h.v. Sas Slijkens, maar de effecten bleven landinwaarts consistent uit (Fig. @ref(fig:plotctdkgo) en Fig. @ref(fig:plotkgoss)). Het uitblijven van pieken in het binnenland suggereert dat er wel een verband is tussen de waargenomen geleidbaarheid en het aangepaste spuibeheer in het KGO t.h.v. Sas Slijkens, maar dat de wateren verder landinwaarts niet beïnvloed worden (Fig. @ref(fig:plotkgop)).
(#fig:plotctdkgo)Verloop van de specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm) in het kanaal Gent-Oostende (KGO). De daggemiddelden worden weergegeven als zwarte punten op het midden van de dag. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotcondkgo)Verloop van de VMM-metingen van de specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm) in het kanaal Gent-Oostende (KGO). De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotkgoss)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het kanaal Gent-Oostende (KGO) ter hoogte van sas Slijkens (0.9 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Oostkamp en neerslag (mm) ter hoogte van Klemskerke in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotkgop)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het kanaal Gent-Oostende (KGO) ter hoogte van Plassendale (7.0 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Oostkamp en neerslag (mm) ter hoogte van Klemskerke in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
(#fig:plotkgob)Verloop van de actuele geleidbaarheid (mS/cm), specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm), saliniteit (psu) en temperatuur (°C) in het kanaal Gent-Oostende (KGO) ter hoogte van Oostkamp (13.3 km stroomopwaarts spuiconstructie), debiet (m³/s) ter hoogte van Oostkamp en neerslag (mm) ter hoogte van Klemskerke in 2023. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.
3.2.3 Ijzer
Voor de Ijzer is er, met uitzondering van een duidelijke dip in 2022, doorheen de periode een algemene stijging te zien in zowel de totale duur als het aantal events AS. De hoogste duur werd bereikt in 2024 met 589 uren AS.
Gedurende de gehele periode 2022-2025 is het een consistente bevinding dat, ondanks de hoge variabiliteit, de hoge waarden voor de geleidbaarheid dicht bij de spuischuiven (Yzermondesteiger) duidelijk overeenkomen met de periodes van het aangepast spuibeheer (Fig. @ref(fig:plotctdijzer) en @ref(fig:plotijzery)).
Het jaar 2022 kende een relatief lage totale duur van 277 uren AS. Het toepassen van AS resulteerde in een verhoging van de conductiviteit tot maximaal 13.08 mS/cm net stroomopwaarts van de spuisluizen. De brakwatergrens van 20 mS/cm werd in 2022 niet overschreden. Landinwaarts bleven de waardes op een verhoogd niveau na het stopzetten van het AS, wat vermoedelijk het gevolg was van de droge zomer waardoor er maar weinig water werd afgevoerd.
In 2023 steeg de totale duur aanzienlijk naar 536 uren AS. De geleidbaarheid lag hierdoor beduidend hoger dan in 2022, en in dit jaar werd de brakwatergrens van 20 mS/cm meermaals overschreden net stroomopwaarts van de spuisluizen. De effecten van het AS waren direct meetbaar bij de spuischuiven, maar verder landinwaarts bleef een direct effect op de geleidbaarheid uit ter hoogte van de Schoorbakkebrug en Tervate. Het effect van de zomerse droogte bleef echter wel ver stroomopwaarts voelbaar.
De AS-duur bereikte een piek in 2024 met 589 uren. De geleidbaarheid lag ook in dit jaar aanzienlijk hoger dan in 2021-2023, en de brakwatergrens werd meermaals overschreden net stroomopwaarts van de spuisluizen. De hoge waarden kwamen, net als de vorige jaren, duidelijk overeen met de periodes van het AS. Landinwaarts was een piek eind maart waarneembaar tot in Tervate, maar deze zwakte af tot ze in Diksmuide verdwenen was. In tegenstelling tot de droge zomers van 2022 en 2023, bleef het effect van de zomerse droogte in 2024 relatief beperkt.
Het jaar 2025 vertoonde met 217 uren de laagste duur van AS in de gehele periode. Dit is beduidend minder dan de inzet in de jaren 2021 tot en met 2024. Ondanks deze lage inzet lag de geleidbaarheid aanzienlijk hoger dan in de periode 2021-2023, wat hoogstwaarschijnlijk het gevolg was van de lage bovenafvoer dit jaar. In 2025 werd de brakwatergrens van 20 mS/cm meermaals overschreden aan de spuisluizen, zij het niet zo extreem als in 2024.
Landinwaarts waren de pieken dit jaar veel vroeger dan in 2024. Opvallend was hoe de eerste piek ter hoogte van Tervate veel hoger lag dan de overeenkomstige piek aan de Schoorbakkebrug, die meer stroomafwaarts ligt. Dit wijst mogelijks op stroomopwaartse vervuiling. Na het beëindigen van het AS daalde de geleidbaarheid, maar bleef ze relatief hoog, waarbij de stijging vanaf mei zelfs meer uitgesproken was stroomopwaarts (Fig. @ref(fig:plotijzeru), Fig. @ref(fig:plotijzers) en Fig. @ref(fig:plotijzert)). Omwille van het vroegtijdig overschrijden van de limiet van 2.66 mS/cm in Tervate, werd het aangepast spuibeheer op 21 maart 2025 stilgelegd en niet meer opgestart door het uitblijven van bovenafvoer.
(#fig:plotctdijzer)Verloop van de specifieke geleidbaarheid bij 20°C (mS/cm) in de Ijzer. De daggemiddelden worden weergegeven als zwarte punten op het midden van de dag. De groene balken geven de periodes van aangepast spuibeheer weer.